Joodse school Utrecht
.

Lida (Alida) de Vries

Lida de Vries[1]

Aan het begin van de oorlog gaat Lida nog naar de ULO-school op de Vondellaan 32.[2] Vader Jacob werkt als vertegenwoordiger van de tabaksgroothandel van de firma van Asperen. Moeder Klara is pianolerares.[3]

Het gezin woont in de Huygensstraat 24 bis. Alleen broer Max (Meyer) woont daar niet meer; hij werkt als radiotelegrafist bij de koopvaardij.[4] Vanaf september 1941 mag Lida niet meer naar haar school op de Vondellaan en zit ze twee maanden thuis. vanaf 1 november 1941 kan de Joodse school ook leerlingen van de derde en vierde klas van de ULO toelaten. Dan kan Lida weer naar school.

Lida is in 1941 lid van een joodse jeugdbeweging.[5] 

 

Er is ook nog een foto van vader en moeder samen met Lida en Sara:[6]

V.l.n.r. Jacques (Jacob), Sara, Lida, Klara

Jacques mag niet meer werken voor de firma van Asperen, maar houdt wel een goede band met directeur van Asperen. Als de situatie voor de zomervakantie van 1942 nijpender wordt, regelt directeur van Asperen dat de familie onder kan duiken. Voor de ouders heeft hij een plek gevonden in Castricum en beide dochters zouden in de Wieringermeer kunnen onderduiken. Maar het gezin wil niet opgesplitst worden, ze besluiten samen gehoor te geven aan de oproep om naar Westerbork te gaan.[7] Op 19 augustus 1942 zijn Lida, Sara, Jacques en Klara daar ingeschreven.

Lida houdt in de oorlog een dagboek bij. Na de bevrijding komt dat in handen van broer Max. Een van de laatste bijdragen in dat dagboek is een briefje dat zij, vlak voor vertrek naar Auschwitz aan haar broer Max schrijft [8]


Liefste jongen,
We moeten weg en het is zo erg. Ik wilde nog zo’n boel aan je schrijven, maar ik kan niet.
Een brief zal ik je vannacht schrijven. Ik hoop dat je gelukkig wordt en je meisje evenzo.
Nu jongen ik wens me zo veel kan ik niet schrijven, alleen goeds, niets als goeds. Je zusje denkt toch aan jullie.
Dag jongen. Dag het allerbeste hoor.
Blijf vertrouwen op God. Wij vertrouwen ook.
Dàààg

Op 21 augustus 1942 gaan ze op transport naar Auschwitz. Bij aankomst worden zij niet meteen vermoord, maar pas een week later. 

Na de oorlog gaat broer Max natuurlijk op zoek naar zijn familie, hoewel hij weet dat ze niet meer in de Huygensstraat wonen. Hij meldt zich bij het Rode Kruis kantoor op 't Wed in Utrecht. Hij wordt daar doorverwezen naar Mr. de Haas, in de oorlog de voorzitter van de Joodse Raad. Max vertelt in zijn video getuigenis hoe Mr de Haas hem lomp behandelde.[9] Pas als hij naar de directeur van de Tabaksgroothandel, dhr A. van Asperen, gaat, krijgt hij te horen wat er gebeurd is.