Joodse school Utrecht
.

Ruth en Martha Bertenthal

Voordat Hitler in Duitsland aan de macht kwam hadden vader David en moeder Sophie een grote, goed lopende schoenenzaak in de Preusserstrasse 10 in Kiel, Duitsland. Het gezin woont in een ruim vier kamer appartement boven de zaak. Zij worden ondersteund door een kindermeisje, een hulp in de huishouding en een kok. David regelt in de winkel de schoenen afdeling, terwijl Sophie niet alleen de kousenafdeling runt, maar ook de inkoop doet en de tien personeelsleden controleert. Het gezin is rijk. Zij bezitten nog twee andere huizen in Kiel. 

Het gezin is orthodox en David is actief binnen de joodse gemeenschap. Zo steunt hij bijvoorbeeld financieel de oprichting van een gebedsruimte in Kiel. De oudste zoon, Rudolf gaat naar Montreux in Zwitserland om daar een opleiding te volgen tot rabbijn. 

Dan komt Hitler aan de macht en de pesterijen en het geweld tegen joden neemt toe. Vader David wordt een keer in elkaar geslagen en hij wordt bedreigd met boetes als hij zijn winkel niet sluit. Het gezin vlucht naar familie in Hamburg. David en Sophie beginnen in 1933 al plannen te maken om te emigreren naar Nederland.

Om een uitreisvergunning te krijgen moeten zij een grote schenking doen aan 'Winterhilfe'. De hele voorraad uit de schoenenzaak wordt in vrachtwagens geladen en naar Hamburg gebracht. Daar wordt het voor een spotprijs verkocht. De kosten om Rudolf in Zwitserland te laten studeren kunnen ze niet meer dragen. Rudolf emigreert naar Palestina. 

Vader David [2]

Moeder Sophie [2]

Broer Simon [2]

Martha [2]


Ruth [2]

Het gezin komt in Den Haag terecht. Daar wonen ze eerst een paar maanden in bij een collega van vader en moeder, Artur Landesmann, die een lederhandel heeft.[3] Later hebben ze nog een paar andere adressen voor ze terecht komen op het Hofwijckplein 72.[4] 

Door het taalprobleem en de moeilijkheid om de juiste vergunningen te krijgen, lukt het David niet om een schoenenzaak op te zetten. Hij begint een handel in lompen en metalen.[5]  

Voor de oorlog verhuist het gezin naar Utrecht,[6] waar vader weer probeert een schoenenzaak op te zetten. De kinderen, Ruth, Martha en Simon gaan in Utrecht naar school. Ruth naar de lagere school op het Pieterskerkhof en Martha en Simon naar de Gemeente Hogere Burger School. In de zomer van 1941 staat in het Utrechts Nieuwsblad dat Martha is bevorderd naar de 2e klas.[7]

Als de kinderen naar de Joodse school moeten komt Ruth terecht in de eerste klas van de ULO en Martha in de tweede klas.[8]

Het gezin verhuist naar Amsterdam, mogelijk omdat vader David gaat werken voor de Joodse Raad. Hij gaat werken als leraar in de Centrale Schoenen-reparatiewerkplaats in het gebouw PIGOL aan de Muiderstraat.

[9]

Uitsnede kaart Joodse Raad van David [10]

In mei 1943 is de 'sperre' niets meer waard, want het gezin komt op 26 mei 1943 in Westerbork. Daar probeert David via het Rode Kruis in Zwitserland contact te leggen met de 'Jewish Agency' in Jeruzalem om te proberen te emigreren. Maar dat bureacratische proces duurt te lang want voor er antwoord komt gaat het gezin op 20 juli 1943 naar Sobibor. Daar worden ze meteen vergast. 

Alleen de oudste zoon overleeft de oorlog omdat hij voor de oorlog kon emigreren naar Palestina. 

Stolpersteine bij Preusserstrasse 10, Kiel []