Joodse school Utrecht
.

Lothar Gold

Berlijn, 24 oktober 1930 – Sobibor, 11 juni 1943

Julius, Gerda en Lothar Gold. Op de achterzijde staat: "Ter herinnering aan ons drietjes. Familie Gold. 1943"

Westpreußen
Lothars vader Julius Israel Gold wordt op 16 september 1901 geboren in Lessen (nu Łasin), een klein stadje in het Kreis Graudenz in de Pruisische provincie Westpreußen.[1] De joodse gemeenschap van Lessen is dan al sterk gekrompen: van 287 zielen in 1871 tot nog maar 23 in 1921. De synagoge wordt in 1922 verkocht.
Lothars moeder Gerda Sara Davidsohn wordt geboren op 8 oktober 1906 in Karthaus (nu Kartuzy), eveneens in Westpreußen, zo'n dertig kilometer ten westen van Danzig.[2] Ook daar is de joodse gemeenschap klein: 142 personen in 1885, 46 in 1931.
Gerda's ouders zijn Herto Hermann Davidsohn, geboren op 26 december 1879 in Czersk, Kreis Konitz,[3] en Johanna Ascher, geboren op 13 februari 1874 in Rheine, Westfalen.[4] Herto vestigt zich in Eberswalde, ten noordoosten van Berlijn.
Na de Eerste Wereldoorlog wordt Westpreußen bij verdrag aan Polen toegewezen. Veel joodse families trekken westwaarts, vooral naar Berlijn en Breslau. Ook Julius en Gerda komen in Berlijn terecht.

Berlijn

In Berlijn trouwen Julius en Gerda. Julius werkt er als schoenmaker. Op 24 oktober 1930 wordt hun zoon Lothar Paul Gold geboren.[5] Het gezin woont in Berlijn; het exacte adres is niet bekend.
Op 30 januari 1933 komt Hitler aan de macht. Negen maanden later, op 20 en 21 november 1933, emigreert het gezin Gold naar Nederland.[6] Lothar is drie jaar oud. Julius verliest zijn Duitse staatsburgerschap; op latere kampregistraties staat hij genoteerd als "statenloze".[7]

Prinses Julianaweg 321

Het gezin Gold vestigt zich rond 1938 aan de Prinses Julianaweg 321 in Jutphaas, een dorp ten zuiden van Utrecht.[8] De straat is in de jaren dertig aangelegd in het Hoograven-gedeelte van de gemeente. Gerda's ouders, Herto en Johanna Davidsohn, wonen op hetzelfde adres.[9]
Julius houdt kippen in de achtertuin en maakt schoenen. Gerda werkt als naaister.[10] De Prinses Julianaweg is een brede straat met twee rijbanen, gescheiden door een parkje. Er wonen veel kinderrijke gezinnen; veel vaders werken bij de spoorwegen of bij de houtcentrale.

Gerda en Lothar Gold op een steiger aan het water.

Lothar heeft veel vriendjes in de buurt. Buurmeisje Elly Ris, dochter van timmerman Gerrit Ris op nummer 339, herinnert zich Lothar als "een vrolijk ventje". Ze ziet het vestje dat hij altijd draagt nog steeds voor zich: een donkerblauw, gebreid vest. "Met een band van angorawol. Dat was zo zacht en pluizig, ik wreef er altijd overheen."[10] De tuin van de familie Ris is de ontmoetingsplaats voor de buurtkinderen. Vader Ris maakt er een grote zandbak die 's zomers als zwembad dient en 's winters als schaatsbaantje.

De Beatrixschool

Lothar gaat naar de Prinses Beatrixschool, een openbare lagere school aan de Jan van Arkelstraat 53 in Hoograven, op loopafstand van huis.[11] Hij is ook lid van gymnastiekvereniging Longa.

Foto uit 1949 van Prinses Beatrixschool, Jan van Arkelstraat. 

De Joodse school

Vanaf 1 september 1941 mogen joodse kinderen niet meer naar hun eigen school. Lothar moet naar de speciaal opgerichte Joodse lagere school in Utrecht, aan het Ondiep 63. Hij staat op de leerlingenlijst van 28 januari 1942.[13] De gemeente Utrecht brengt de kosten voor leerlingen van buiten de gemeente in rekening bij hun eigen gemeente; op Lothars inschrijving staat een rode markering voor Jutphaas.
De vrienden weten nog dat Lothar een ster draagt, maar dat hij anders is, is hun nooit opgevallen. "Hij was altijd vrij," weet Rien Goenée nog. "Dat dit kwam, doordat hij niet naar school mocht, daar dacht je toen niet over na."[12]. In ieder geval na de zomervakantie van 1942 gaat Lothar niet meer naar de Joodse school. Als jood mag hij niet meer met de bus en zijn fiets heft hij moeten inleveren.
Op 1 maart 1942 wordt de Prinses Julianaweg op last van de Duitsers omgedoopt tot "Laan 1942". Ook de gymnastiekvereniging wordt verboden voor joden.[14]

Buurtkinderen bij een sportevenement van gymnastiekvereniging Longa bij de Beatrixschool, ca. eind 1942. Lothar Gold staat links. Het meisje met de witte strik links is Elly Ris; in het midden loopt vader Gerrit Ris.

22 april 1943

Op 22 april 1943 moet Utrecht judenrein zijn. Alle joodse inwoners van Utrecht en Jutphaas moeten zich melden voor transport naar Kamp Vught. De familie Gold geeft gehoor aan de oproep. In de dagen ervoor neemt het gezin afscheid van de buren. Julius laat zijn schoenmakerskist achter bij de familie Steenaart, die schuin tegenover hen woont op nummer 341. Hij belooft de kleine Willy Steenaart, dan amper drie maanden oud, dat hij schoentjes voor haar zal maken als hij terugkomt.[16]
Op de achterzijde van een familieportret schrijft het gezin: "Ter herinnering aan ons drietjes. Familie Gold. 1943."[17]
Buurjongen Rien Goenée ziet de Duitse militaire vrachtwagen met zeildoek voor het huis stoppen. Lothar en zijn ouders worden ingeladen. Rien roept nog: "Lothar, waar ga je heen?"[18]

Kamp Vught

Julius, Gerda en Lothar worden op 22 april 1943 geregistreerd in Kamp Vught. Julius krijgt nummer 8582.[19] Op zijn kampkaart staat als beroep "schoenmaker", als nationaliteit "statenloze".
Op 6 en 7 juni 1943 vinden de kindertransporten uit Kamp Vught plaats. 1.269 kinderen worden via Westerbork naar Sobibor getransporteerd. Lothar is een van hen. Gerda gaat met haar zoon mee.[20]

Sobibor

Op 8 juni 1943 vertrekt het transport vanuit Westerbork naar vernietigingskamp Sobibor. Gerda Gold-Davidsohn en Lothar Gold worden op 11 juni 1943 in Sobibor vermoord.[21] Gerda is 36 jaar oud. Lothar is twaalf.

Julius

Julius Gold blijft achter in Kamp Vught. Op 29 mei 1943 wordt hij overgeplaatst naar het Außenlager Moerdijk (Nieuwkamp). Op 18 oktober 1943 gaat hij naar Westerbork. Op 8 februari 1944 wordt hij gedeporteerd naar Auschwitz en vandaar naar Melk, een buitencommando van concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk.[22]
Julius Gold sterft op 21 maart 1945 in Melk. Hij is 43 jaar oud. De bevrijding van het kamp volgt zes weken later.

Herto en Johanna

Gerda's ouders worden op 14 september 1943 vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Herto Hermann Davidsohn en Johanna Davidsohn-Ascher worden op 17 september 1943 in Auschwitz vermoord.[23]

De schoenmakerskist

De schoenmakerskist van Julius Gold, met het originele gereedschap 

De familie Steenaart bewaart de schoenmakerskist van Julius zorgvuldig. Het gereedschap wordt nooit gebruikt. Julius heeft het immers nodig als hij terugkomt. Bij haar ouders staat altijd een foto van Lothar op de kast.[24]
In maart 2010 bezoekt Willy van Cooten-Steenaart het Nationaal Monument Kamp Vught. Daar ziet zij voor het eerst Lothars naam op het kindergedenkteken. Op 6 juni 2010 schenkt zij de schoenmakerskist aan het Nationaal Monument Kamp Vught.[25]
Elly Ris en Rien Goenée, de buurtkinderen van toen, hebben tot 2010 niet geweten waar Lothar, Julius en Gerda zijn omgekomen.