Joodse school Utrecht
.

Lieneke (Jacquelien) van der Hoeden

Van links naar rechts: Hennie, Lieneke, Lien, Rachel, Jaap en Bart.

Vader van der Hoeden is een vooraanstaand dierenarts, die onderzoek doet naar ziekten die van dieren overdragen kunnen worden op mensen.[1]

In september 1941 mogen Lieneke en Rachel niet meer naar hun gewone lagere school. Ze moeten naar een speciale Joodse school waar alle Joodse kinderen les krijgen van Joodse leerkrachten. In het boek 'Voortaan heet je Lieneke' vertelt biografe Tami Shem-Tov daarover:[2]

Lieneke was bang dat ze niemand zou kennen. Maar al op de eerste dag herkende ze het witte gezichtje van Judith, [3] het aardige meisje dat op de vorige school in de parallelklas zat. Lieneke was heel blij haar te zien en ging direct naast haar zitten. Judith lachte verlegen. “Wat tof dat jij er bent”, fluisterde ze, “ik heb hier helemaal geen vriendin.”  

Al snel verdwijnen er kinderen uit de klas. Soms omdat ze opgepakt zijn en weggevoerd naar Westerbork of kamp Vught, soms ook omdat ze ondergedoken zijn.

'Lieneke moest aan Judith denken. Op de Joodse school hadden ze naast elkaar gezeten en hand in hand gelopen tijdens het speelkwartier en stiekem hartsgeheimen uitgewisseld, totdat op een dag Judith niet gekomen was. Eerst hoopte Lieneke dat Judith alleen te laat was.’

Lieneke is ziekelijk en ze krijgt difterie. Haar vader behandelt haar in een speciale quarantaine-kamer in het huis en hangt op de voordeur een bord dat er een gevaarlijke, besmettelijke ziekte heerst in het huis. Als ’s nachts drie vrachtwagens vol Duitse soldaten de familie komen ophalen, druipen ze af na het zien van dat bord. Vader Jaap snapt dat ze niet langer in de Mauritsstraat 43 kunnen blijven wonen. Ze moeten onderduiken. Vader Jaap moet het huis aan de Mauritsstraat verkopen[4] aan een Duitse instelling voor een belachelijk laag bedrag, 9200 gulden, en ontvangt daar niets van omdat het onmiddellijk moet worden afgegeven aan de roofbank Lippmann & Rosenthal. [5]

Vader Jaap kan met Rachel en de weer betere Lieneke terecht bij een collega hem, Co Dommisse. Maar daar moeten ze na een paar weken weer weg, als de vader van Co onverwacht op bezoek komt. Die vader is fanatiek NSB’er en het gevolg van zijn plotselinge komst is dat vader Jaap en Rachel en Lieneke een paar uur doodstil op de overloop moeten doorbrengen.

Dan herinnert Jaap zich dat hij vlak na zijn ontslag aan de universiteit een briefje had gekregen van een van zijn oud studenten: [6]

Waarde collega van der Hoeden, er breken moeilijke tijden aan. Als u hulp nodig heeft, wend u dan tot mij. Geheel de uwe, H.J. Cooymans. Huisarts, Sint-Oedenrode

De volgende dag reist Jaap met zijn dochters naar Sint-Oedenrode. Daar is plek voor de twee zusjes. Vader Jaap kan terecht op een ander adres.

Rachel en Lieneke zijn terechtgekomen in een gedisciplineerd huishouden. Mevrouw Cooymans leidt het met vaste hand. De kinderen Cooymans krijgen samen met Lieneke en Rachel ’s ochtends les van een gouvernante en ’s middags wordt er, weer of geen weer, twee uur lang gewandeld. Zondags gaan Rachel en Lieneke samen met het gezin Cooymans naar de kerk; de zusjes zijn in het dorp gepresenteerd als nichtjes van dokter Cooymans.

Als vlak voor kerst de pastoor op bezoek komt, hoort hij Lieneke zingen.

“Wie is dat?”, vroeg de pastoor aan mevrouw Cooymans. “Wie zingt daar als een engel?”

“De meisjes,” antwoordde mevrouw verontrust.

“Maar er is er een met de stem van een operazangeres,” hield de pastoor aan.

“Ja,” aarzelde mevrouw Cooymans. “Dat is het nichtje van mijn man uit het gebombardeerde Rotterdam.”

“Ze moet bij ons solo zingen tijdens de mis met kerst!” zei de pastoor.

Maar dat kan natuurlijk niet. Ze mag niet te veel opvallen. Twee dagen later komt de tuinman de familie waarschuwen dat er in het dorp gepraat wordt over de zusjes van der Hoeden. Via de ondergrondse wordt vader Jaap gewaarschuwd. Eerst neemt hij Rachel mee naar een ander adres en later haalt hij Lieneke op. Rachel komt terecht bij ‘oom Evert’, ook een oud student van Jaap. Onderweg gaan Jaap en Lieneke nog even langs bij Lien, de ernstig zieke moeder van Lieneke. Daarna reizen ze door naar Den Ham, waar het kinderloze echtpaar Hein en Vonnette Kohly woont.

Hein is de dorpsarts. Lieneke wordt weer gepresenteerd als een nichtje van de dokter. Dit keer een nichtje uit het hongerige Amsterdam. Ze heeft het fijn bij het echtpaar Kohly; ze helpt de dokter mee met het bereiden van hoestdrankjes, ze krijgt voor haar verjaardag een konijn en de Zwitserse Vonnette is gek op haar. In het dorp gaat ze gewoon naar school en daar sluit ze vriendschappen met jongens en meisjes uit het dorp.

Ze schrijft een versje in het poëziealbum van een buurmeisje, onder haar schuilnaam Lieneke Versteegh.[7]

Toch moet ze voorzichtig zijn.

“Lieneke,” zei hij [Hein Kohly] en haalde een envelop uit de zak van zijn jasje, “ik heb iets voor je.” Verrast zette Lieneke de goed geschudde fles [hoestsiroop] op tafel en nam de envelop aan. Onmiddellijk wist ze wie hem gestuurd had, maar van pure opwinding kreeg ze hem niet open.

“Lees hem rustig en geef hem dan weer aan mij” Lienekes blauwe ogen keken vragend naar de dokter.

“Ik moet de brief weer terug hebben,” verklaarde hij. “Je begrijpt dat je hem niet kunt bewaren, want hij mag absoluut niet in verkeerde handen vallen.”

Vader Jaap schrijft Lieneke geregeld prachtig geïllustreerde brieven, die via het verzet aan haar bezorgd worden. Voor de veiligheid gebruikt hij daarin niet de echte namen. Zelf is hij ‘Jeek’. Zo noemde Lieneke hem toen ze nog een peuter was.

Zo gaan er tussen oktober 1943 en het eind van de oorlog twaalf brieven heen en weer.

In de zomer van 1944 mag Lieneke naar een grote boerderij, waar meer Joodse mensen ondergedoken zitten. Daar ziet ze haar zus Rachel terug, die daar ook op vakantie is. Er is daar genoeg te eten en de zusjes genieten van het zwembad in de buurt.

Na de zomer gaat Lieneke weer terug naar de Kohly’s. De sfeer in het dorp wordt grimmiger. Op een dag is er een oploop op het plein. Daar ziet Lieneke hoe de Duitsers een echtpaar uit hun huis sleuren. Erachter loopt een ondergedoken, Joodse jongen. Voor het oog van hele dorp en van Lieneke worden ze alledrie ter plekke neergeschoten.

In mei 1945 wordt het dorp door de Canadezen bevrijd. Haar vader komt Lieneke ophalen. Voordat hij haar meeneemt, gaat ze met dokter Kohly naar de tuin. Daar graaft hij onder een appelboom een kistje op. In dat kistje zitten alle brieven van haar vader. Dokter Kohly kon het niet over zijn hart verkrijgen om de brieven te verbranden, zoals het verzet hem had bevolen.  In Utrecht ziet Lieneke haar zussen Hannie en Rachel en haar broer Bart weer terug. Hannie is verkleed als non de oorlog doorgekomen in een klooster en Bart was ondergedoken bij een boer, die in het verzet zat.

Alleen moeder Lien heeft het einde van de oorlog niet gehaald. Ze overlijdt aan haar leverziekte in een illegaal hospitaal, twee dagen voordat de Duitsers daar een inval doen en alle patiënten naar Auschwitz sturen.

Het gezin wil weer gaan wonen in hun huis op de Mauritsstraat 43. Echter in de oorlog is hun woning een tehuis geweest voor zwangere Duitse prostitués en voor dat doel doorgebroken met het buurhuis. Tijdelijk vinden ze onderdak in een huis van een gevangengenomen NSB’er. Bart en vader Jaap brengen hun oude huis weer op orde, waarna ze er weer kunnen gaan wonen. Lieneke vertelt over die tijd: [8]

Het leek helemaal niet op hoe het was voor de oorlog. Zonder moeder was het gewoon niet hetzelfde. Er was niemand die de familie bij elkaar kon houden. De oorlog had een einde gemaakt aan het leven zoals we dat gekend hadden. Mijn broer en zussen emigreerden naar Israël, vader stortte zich helemaal op de wetenschap en ik moest heel veel leerstof inhalen.

Dan krijgt Jaap van der Hoeden een uitnodiging van de David Ben-Goerion, de president van Israël, om in Israël een veterinair instituut op te richten. Hij besluit om ook naar Israël te verhuizen en zijn jongste dochter Lieneke moet mee. Ook daar heeft Lieneke het moeilijk omdat ze, ondanks taallessen, moeite heeft met het Hebreeuws. Pas een paar jaar later, als ze werkt in een kindertehuis begint ze van Israël te houden.

Ze trouwt en laat af en toe de prachtige brieven van haar vader aan vrienden en familie zien. Tot zij het verzoek van het kindermuseum van het grote Ghetto Fighters House krijgt om de brieven ten toon te stellen. Ze geeft die brieven op voorwaarde dat er kopieën gemaakt worden, die kinderen in het museum gewoon in de hand kunnen houden, met daarin lege pagina’s waarop kinderen vragen aan haar kunnen stellen. Die vragen heeft ze altijd beantwoord.