Walter Kramer en zijn superstep
Düsseldorf, 11 juli 1929 — Auschwitz, 3 oktober 1944
De jongen op de step
Wie in de oorlogsjaren in de Chopinstraat woonde, herinnerde zich van Walter Kramer vooral twee dingen: zijn zwarte krullen en zijn step. Geen gewone autoped. Buurtgenoot Willem Smit uit de Johannes Brahmsstraat omschreef het later als “een step met een tandrad” — een superstep, waarmee je harder ging dan de rest. Walter reed er vrolijk op rond.
En hij bleef erop rijden toen fietsen voor Joden verboden was. Dat is wat de andere kinderen is bijgebleven. In hun ogen gaf het hem een bijzondere status: hij had iets wat zij niet hadden, en hij deed er iets mee wat eigenlijk niet meer mocht.
Veel meer is er van Walter als jongen niet bewaard gebleven: een paar foto’s, zijn naam op een schoollijst, zijn kaart bij de Joodse Raad, en de herinnering van andere kinderen.
Walter Kramer
Walter werd op 11 juli 1929 in Düsseldorf geboren, enig kind van Erich Kramer en Ruth Wagner. Erich was zesendertig toen hij vader werd, Ruth eenentwintig. In het voorjaar van 1936 — Walter was zes — vluchtte het gezin naar Utrecht en betrok het de huurwoning Chopinstraat 25, in een straat die nog maar net bestond.
Erich was koopman in kleefstoffen en begon in dat huis zijn eigen zaak: de Utrechtse Kleefstoffenfabriek EKU, handel in gom en lijm. In mei 1939 stond het adres en telefoonnummer in het Utrechts Volksblad.
Een fabriek is een groot woord voor wat zich in een woonhuis afspeelde, maar het was wel echt: jaren later vond een nieuwe bewoonster in de kelder nog een emmer dikke witte vloeistof en een paar zakken in het schuurtje, en ze begreep niet wat het was. Het was Erichs lijm.
Walter leerde Nederlands, ging naar de Johan de Wittschool op het Beethovenplein, vlak om de hoek, en speelde op straat met de kinderen van de buurt. Er was ook een vriendje van buiten de stad: Gerrit de Vries uit Maarssen, twee jaar jonger, wiens moeder voor de oorlog in Utrecht had gewerkt. Gerrit fietste in het weekend naar de Chopinstraat, speelde met Walter en bleef er soms slapen. Er bestaat een foto van de twee jongens samen op een slee bij de Hoge Brug in Maarssen.
Op 31 juli 1939 werd er een foto gemaakt voor de voordeur van Chopinstraat 25. Walter staat in het midden, in een overhemd met korte mouwen en een stropdas. De hand op zijn schouder is van de nicht van zijn vader, die links van hem staat; zijn moeder staat rechts. Hij is net tien geworden en kijkt recht in de lens. Vijf weken later begint in Polen de oorlog.
Voor de voordeur van Chopinstraat 25, 31 juli 1939. Walter in het midden, rechts zijn moeder Ruth Kramer-Wagner, links een nicht van zijn vader.
Van het Beethovenplein naar Ondiep
In 1941 moest Walter van school af, zoals alle joodse kinderen in Utrecht. Hij stond op de lijst die zijn school moest inleveren, en ging naar de Joodse school aan het Ondiep — van de ene kant van de stad naar de andere. Hij was twaalf.
Op 12 juni 1942 moesten Joden hun rijwielen inleveren; vanaf 30 juni mochten zij niet meer fietsen. Walter reed daarna nog steeds, op iets wat geen fiets was. Dat plaatst de herinnering van Willem Smit in de laatste maanden die het gezin in de Chopinstraat doorbracht.
De sabel van de keizer
Erich Kramer dacht dat hem niets kon overkomen. Hij had in de Eerste Wereldoorlog als Duits militair gediend, had het ver geschopt en droeg daarvoor onderscheidingen; waaronder een sabel die hem persoonlijk door de keizer zou zijn uitgereikt. Lange tijd geloofde hij dat die staat van dienst hem en zijn gezin zou beschermen.
Gerrit de Vries wist in 2021 ook nog wat er met die sabel is gebeurd. Toen de Kramers al in Westerbork zaten, kwam Erich op een gegeven moment nog één keer terug naar Maarssen. Hij gaf de sabel bij de familie De Vries in bewaring.
Zij verstopten hem in de kruipruimte onder hun huis, naast twee karabijnen die Gerrits vader na de Nederlandse capitulatie mee naar huis had genomen. Toen Gerrits moeder bang werd voor een huiszoeking, gaf zij de sabel en de twee geweren aan een buurman. Die zou alles goed inpakken en in de Vecht laten zinken. Na de oorlog heeft de familie De Vries de Vecht afgezocht en niets gevonden. Of de buurman het pakket daar ooit in heeft laten zakken, weten zij niet.
7 november 1942
Op 7 november 1942 werd het gezin thuis aan de Chopinstraat opgehaald en op transport gezet naar Westerbork. Walter was dertien.
Wat er die dag in de straat gebeurde, is het tweede dat Willem Smit nooit is vergeten. De hele buurt kwam naar buiten. Mensen jammerden, omhelsden hen, en zwaaiden hen onder tranen uit. In een straat van ambtenaren, spoorwegmensen en onderwijzers werd het gezin van de lijmfabriek weggehaald terwijl iedereen toekeek.
Daarna bleven de Kramers bijna twee jaar in Westerbork, ongewoon lang. Mogelijk hielden de onderscheidingen van de vader hen al die tijd van de lijsten af. Op drie kaarten van de Joodse Raad staat dat zij er op 24 mei 1944 nog waren.
Drie nummers
Op 4 september 1944 vertrok een van de laatste treinen uit Westerbork: vijfenveertig wagons, 2087 mensen, bestemming Theresienstadt. De Kramers zaten erin. Daar bleven ze ongeveer drie weken.
In diezelfde trein zaten vijf kinderen van de Joodse school. Stefan Breslauer, dertien, van de Petrarcalaan — die vóór 1941 net als Walter op de school aan het Beethovenplein had gezeten. Kurt Cahn, vijftien, en zijn zusje Hannelore, negen, uit het joodse weeshuis aan de Nieuwegracht. Simon Cyzner, veertien, en zijn zusje Annie, negen, van de Blauwkapelseweg.
Of Walter hen heeft gezien — in de trein, op het perron in Westerbork, bij aankomst in Theresienstadt — is nergens vastgelegd. Het kan.
Toen werd het gezin uit elkaar gehaald en kreeg ieder een nummer. Erich ging als eerste, op 29 september 1944, naar Auschwitz: nummer 836. Ruth en Walter volgden op 1 oktober, als 1260 en 1261 — moeder en zoon, direct na elkaar.
Walter werd vrijwel meteen na aankomst vermoord. Zijn sterfdatum is 3 oktober 1944. Hij was vijftien. Zijn vader leefde nog drie maanden en stierf op 3 januari 1945, eenenvijftig jaar oud.
Ruth
Ruth kwam op 1 oktober 1944 samen met Walter in Auschwitz aan. Daar werden zij gescheiden: haar zoon werd vermoord, zijzelf werd voor werk uitgezocht. Zij was zevenendertig.
Daarna is zij naar andere kampen overgebracht en als dwangarbeidster in een fabriek tewerkgesteld. Zij overleefde, als enige van het gezin Kramer. Zij kwam terug naar Nederland. Haar archiefkaart laat de route zien: op 7 juni 1946 stond zij weer ingeschreven in de Chopinstraat, nu op nummer 27; één huis naast hun vroegere huis, bij de buren. Tien dagen later, op 17 juni 1946, volgde het adres Plantage Middenlaan 48 in Amsterdam, een opvanghuis voor joden die uit de kampen of uit de onderduik terugkeerden. Daarna bleef zij in Amsterdam wonen, op verschillende adressen, tot haar vertrek naar Zürich op 21 november 1966.
Archiefkaart Ruth Wagner; stadsarchief Amsterdam
Ruth Wagner stuurde foto’s van haar man en haar zoon naar het archief van Yad Vashem.
Zij stierf in 1993 in Zürich, zesentachtig jaar oud. Zij heeft haar zoon negenenveertig jaar overleefd.
Twee stenen
In 2020 zijn voor de deur van Chopinstraat 25 twee Stolper-stenen in het trottoir gelegd, voor Erich en voor Walter. Ze liggen op dezelfde stoep waar Walter met zijn step op reed.
Bronnen
• De Chopinstraat en haar eerste bewoners, Oog in Al in Beeld.
• Digitaal Joods Monument: Walter Ludwig Kramer, met de foto’s van 31 juli 1939 voor de voordeur.
• Yad Vashem: de door Ruth Wagner ingezonden foto’s
• Kaarten van de Joodse Raad
• Het Utrechts Archief: de lijst van joodse leerlingen die in 1941 van hun school moisten en leerlingenlijst Joodse school Utrecht 28 januari 1942
• Utrechts Volksblad, 10 mei 1939: advertentie van de Utrechtse Kleefstoffenfabriek EKU, Chopinstraat 25.
• Stolpersteine Chopinstraat 25, gelegd in 2020.
• Data van de anti-Joodse maatregelen: inlevering van rijwielen 12 juni 1942, fietsverbod 30 juni 1942 (Anne Frank Stichting, tijdlijn “Verboden voor Joden”).
.jpg/picture-200?_=1a13f6328d8)

.jpg/picture-200?_=1a13f636f8c)
