Joodse school Utrecht
.

Jeremy Leefsma

(Groningen, 14 oktober 1929 – Mevasseret Zion, 18 maart 1998)

De familie Leefsma

Jeremy Raphael (Jim) Leefsma wordt op 14 oktober 1929 in Groningen geboren als zoon van Jacob (Jaap/Jacques) Leefsma en Cornelia (Corry) Sara Mesritz. Jaap komt uit Veghel, waar zijn vader Raphael Leefsma werkzaam was als onderwijzer en chazan (voorzanger in de synagoge). De familienaam Leefsma is een verfriezing van de joodse naam Levi, naar een voorouder die zich in de achttiende eeuw in Friesland vestigt.[1]

Raphael en zijn vrouw krijgen zes zonen, allemaal geboren in Veghel. In de jaren dertig vliegen ze uit naar alle hoeken van het land: Alexander naar Groningen, Mozes naar Amsterdam, Menni naar Zandvoort, Jaap naar Groningen, Adolf naar Den Haag en Leo naar Utrecht. Samen met zijn broer Leo heeft Jaap sinds 1929 de firma ‘Leefsma’s Meubelstoffenhandel’, gevestigd in Utrecht, eerst op Jansveld 13 en later op Boothstraat 9. Jaap en Leo trouwen allebei met een dochter uit de Meppelse familie Mesritz, die handelt in textiel en een schoenenfabriek heeft.[2]

Joodse Raad registratiekaart van Jacob Leefsma

Naar Tuindorp
Op 26 augustus 1937 wordt Jims broertje Alexander (Lex) geboren in Haren, vlak bij Groningen. Kort voor de oorlog verhuist het gezin naar Tuindorp, een wijk aan de noordkant van Utrecht die dan nog in de gemeente Maartensdijk ligt. Ze betrekken een huis aan de Prof. Magnuslaan 20. Oom Leo woont met zijn gezin in de daarnaast gelegen Tuinwijk, aan de Van Musschenbroekstraat 2.

De Joodse school
Vanaf het schooljaar 1941-1942 mogen joodse kinderen niet meer naar hun gewone school. Jim moet net als alle andere joodse kinderen in Utrecht naar de aparte Joodse school aan het Ondiep 63. Hij zit in de bovenbouw van het gewoon lager onderwijs.[4]

Jim Leefsma voorjaar 1942


Groenekan

Als de deportaties beginnen en het leven voor joden steeds gevaarlijker wordt, neemt het gezin Leefsma een ingrijpend besluit. Hens Lindeman, leraar aan de Joodse school en goed bevriend met de Leefsma’s, beschrijft in zijn ‘dagboek’ hoe Leo en zijn vrouw Sarlina worstelen met dezelfde beslissing.[5]

Jacob, Corry en hun twee zonen Jim en Lex verhuizen naar de Vijverlaan 29 in Groenekan, een klein dorp ten noorden van Utrecht. Wanneer ze precies naar Groenekan gegaan zijn, is niet duidelijk. In ieder geval zijn ze daar op 24 juni 1942, want ze staan op de lijst van ingeleverde fietsen. Ze zitten legaal op dat adres.   Maar als op 6 oktober 1942 een politieagent langs komt om te kijken of het gezin nog de Vijverlaan wonen, zijn ze daar niet meer te vinden. Kennelijk zijn ze ondergedoken. Het gezin van Jacob Leefsma overleeft de oorlog.[6]

Het lot van de familie
Van de zes broers Leefsma is Jaap de enige die de oorlog overleeft. Oom Leo en tante Sarlina worden in mei 1943 in Utrecht opgepakt. Als ‘strafgeval’ – ze zijn immers ondergedoken – worden ze binnen een dag op transport gezet naar Sobibor en daar vermoord. Oom Mozes en zijn gezin worden via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd. Oom Adolf gaat met zijn vrouw en drie dochters via kamp Vught en Westerbork dezelfde weg. Oom Menni wordt met zijn gezin naar Auschwitz gedeporteerd. Van de zes broers, hun vrouwen en zeventien kinderen overleven er slechts zeven.[7]

Neef Eddy, zoon van Mozes Leefsma, blijft als enige veilig. Hij is zomer 1939 als Palestina-pionier naar het huidige Israël geëmigreerd. Nichtje Mirjam, de jongste dochter van oom Leo, wordt als elfjarig meisje via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd en daar vermoord. Nicht Clara, de middelste dochter, was Palestina-pionier geworden in Elden en overleeft Westerbork en Bergen-Belsen. Zij wordt in april 1945 bevrijd bij het plaatsje Tröbitz, als onderdeel van het beruchte ‘Verloren Transport’.[8]

Bevrijding en wederopbouw
Na de bevrijding keert het gezin Leefsma terug naar Tuindorp. Vader Jaap pakt de draad van de meubelstoffenhandel weer op. In april 1949 kent de Raad van Rechtsherstel hem een compensatie toe van f 76.338,74 voor het door de bezetter geplunderde bedrijf.[9]

Lijst van joden die na de bevrijding weer opduiken. Het gezin Leefsma verhuist van de Raiffeisenlaan 35 terug naar de Prof. Magnuslaan 2

Jaap treedt ook in de voetsporen van zijn omgekomen broer Leo in het Utrechts-joodse kerkelijke en verenigingsleven. Hij wordt voorzitter van het Nederlandse opperrabbinaat buiten Amsterdam en van de joodse gemeente in Utrecht. Het bedrijf groeit onder de naam ‘Leefsma Utrecht NV’. Het nieuwe pand aan de St. Jacobsstraat 21-25, ontworpen door de architect Huig Maaskant (bekend van de Euromast in Rotterdam en de Neudeflat in Utrecht), wordt een van de eerste grote naoorlogse zakengebouwen in het Utrechtse centrum.[10]

Advertentie van mevrouw Leefsma in het Utrechts Nieuwsblad, 1947

Hachsjara
Zoals veel joodse jongeren na de oorlog beantwoordt Jim de roep van het zionisme. Direct na de bevrijding begint hij, zestien jaar oud, met de driejarige hachsjara, de opleiding tot Palestina-pionier. In Loosdrecht, Gouda en Deventer worden deze opleidingen na de oorlog weer opgestart. Er is veel animo onder de overgebleven joodse jongeren om naar Palestina te emigreren. Jim volgt het voorbeeld van zijn oudere nicht Clara en zijn oudere neef Eddy Leefsma, die al voor de oorlog naar Palestina zijn gegaan (en daar met elkaar getrouwd zijn).[11]

Jim Leefsma als deelnemer aan de hachsjara, circa 1947



Naar Israël
In oktober 1948 arriveert Jim in Israël met de Negba, de eerste legale ‘joodse boot’. Vol idealen over het opbouwen van een nieuwe staat. Drie dagen na aankomst bevindt hij zich in de religieuze kibboets Ein Hanatziv, op een driedaagse opleiding om te leren hoe hij met een geweer moet omgaan. Op de vierde dagbegin hij mee te bouwen aan de Joodse staat: met andere 's Gravenlanders en kibboetsnikken bewaakt hij Arabische pardessiem (citrusplantages) tegen aanvallen. [12]

Jeruzalem
Een jaar later trekt Jim naar Jeruzalem. Hij studeert aan het gymnasium en later aan de kweekschool, waar hij wordt opgeleid tot onderwijzer. Tegelijkertijd studeert hij Gemara (Talmoed). Jim wordt onderwijzer en later pedagogisch adviseur. Hij werkt vele jaren bij de Inspectie van het Bijzonder Onderwijs in en om Jeruzalem.[13]

De dood van broertje Lex
Op 2 juni 1953 bereikt Jim in Jeruzalem het bericht dat zijn jongere broer Alexander plotseling is overleden. De vijftienjarige Lex, die op Oudwijk 3 in Utrecht woont, is in een achterpad van de woning van zijn fiets gevallen en ter plaatse overleden. Hij blijkt hartpatiënt te zijn geweest.[14]

Utrechts Nieuwsblad 3 juni 1953 over Alexander Leefsma

Mirjam Mok
In Jeruzalem heeft Jim een ontmoeting met Frederika Mirjam Mok. Haar vader is mr. Salomon Mok, een vooraanstaand jurist die voor de oorlog voorzitter is van de Raad van Arbeid in Leiden. Tijdens de oorlog overleeft het gezin Mok dankzij plaatsing in de Barneveldgroep; via Westerbork worden ze naar concentratiekamp Theresienstadt gedeporteerd, waar ze de bevrijding meemaken. Terug in Nederland wordt Salomon Mok benoemd tot hoogleraar arbeidsrecht in Utrecht, maar hij overlijdt al in 1948, pas 45 jaar oud. Mirjams moeder Gonda Marie Jacobs emigreert later naar Israël, waar zij in 1988 in Haifa overlijdt.[15]

Jim en Mirjam trouwen in Jeruzalem en krijgen drie zonen: Jaron, Omri en Amitai.[16]

Nieuw Israëlitisch Weekblad 13 april 1954

Vijftig jaar in Israël
Jim bouwt in Israël een heel leven op. Naast zijn werk als onderwijzer en inspecteur is hij actief in de Nederlandse emigrantengemeenschap. Twaalf jaar lang organiseert hij een wekelijkse bridgeclub voor de Irgun Olei Holland, de Nederlandse emigrantenorganisatie in Jeruzalem.[17]
Kort voor zijn overlijden schrijft Jim een terugblik op zijn vijftig jaar in Israël voor het tweemaandelijks magazine JaGDaF. Het is een openhartig en soms scherp artikel, waarin hij reflecteert op zijn idealen en de werkelijkheid van het leven in Israël. Hij beschrijft hoe hij opgroeit in Haren, (dat hij een antisemitisch dorp noemt), vijf jaar Duitse bezetting en onderduik meemaakt, en later twee jaar in een universiteitsstad in de Verenigde Staten doorbrengt. Over waarom hij nooit is teruggekeerd naar Nederland schrijft hij: ‘Teruggaan’ is voor mij niet remigreren, teruggaan is voor mij als ik in Holland geniet van vakantie, beschuit en gemberkoek, inpakken om naar huis in Israël te gaan.[18]

Overlijden
Jim Leefsma overlijdt op 18 maart 1998 in Mevasseret Zion, nabij Jeruzalem. Hij wordt 68 jaar. Zijn artikel verschijnt postuum in JaGDaF op 9 mei 1998, met achter zijn naam de letters z.l. – zichrono livracha, moge zijn nagedachtenis tot zegen zijn.[19]